Maandag 24 Maart! Een grijsgrauwe hemel hing over het stille Rijngebied toen we onze reis naar het kamp van Vogelsang aanvingen, en het begon zelfs reeds een weinig te regenen. Druppels spetterden open op de ruiten van onze wagen en een merkelijk dikke mist hield ieder vergezicht omsloten. Triestig weder voor een kampperiode!
Steeds verder ging onze reis, alover Euskirchen en Gemünd naar het kamp van Vogelsang alwaar ons reeds van ver de drakenvlag van het 2e Linie scheen toe te wenken. In een echt modderbad, midden een pap van water en slijk stonden de barakken daar naast elkaar en we gingen algauw op zoek naar de Opvoedingsofficier van het 2e Liniebataljon, de O/Lt Markey, die we verrasten toen hij bezig was met de laatste hand te leggen aan de tekst die moest dienen voor het dagelijkse informatieblad. Nadien maakten we ook kennis met Aalmoezenier Demey, R.S.M. Adjt. Van Rumbecke en even later ook met de Commandant van het 3e Korps, Kpt. Debels, die ons gaarne te woord stond.
Nadat we het kamp zelf eens goed hadden bekeken, gingen we op zoek naar de plaats waar de manschappen de oefeningen hielden, en even voor het binnenkomen van het dorpje Dreiborn zagen we de eerste zware Chaffeetank, die verscholen stond achter een klein en vervallen boerderijtje. De manschappen verstopten zich zo goed het ging tegen de koude natte die nog steeds in overvloedige mate neerviel, maar dit belette toch niet dat de jonge straatrakkers van de soldaten niet waren weg te krijgen en in alles belang scheen te stellen, uitgenomen in het naar school gaan.


 

We kwamen terug aan enkele zware pantsers, waarvan de manschappen aan het eten waren. Het waren groepen van de 1e Brigade zware tanks die in onderhoud zijn bij het 2e Linie Bataljon. Zo was het reeds, middag geworden en zodus ook tijd voor ons om de innerlijke mens te versterken. Na den middag togen we terug de baan op, op zoek naar groepen infanterie die ergens buiten Dreiborn hun oefeningen hadden. Terug slijkerige banen en nog steeds regenen, zo’n troosteloos aanhoudend regentje dat alles zo triestig en koud maakte. Na een halfuurtje te hebben gereden kwamen we dan toch aan de eerste schutterskuilen waarin de infanteristen zich zo goed en zo kwaad het ging, hadden geïnstalleerd. We zagen er algauw het lachende gezicht van den Aalmoezenier die iedere stelling en iedere gevechtsput ging bezoeken en voor iedereen zijn woordje had, een woordje van troost, gemengd met een goede kwinkslag, en hij was zo tevreden dat de moraal van de jongens, niettegenstaande het zo slechte weder uitstekend was, en vanuit een schutterskuil, gecamoufleerd met takken en aardkluiten, stak een lachend gezicht naar boven van een fuselier die riep “Hei Mijnheer den Aalmoezenier, en toch schijnt de zon!”

We werden aan Lt.Kol. S.B.H. Dancré voorgesteld, die we vergezelden tijdens de inspectietocht langsheen de stellingen van de 3e Kompagnie en we moesten vaststellen dat ook daar de moraal van de jongens uitstekend was. In een schutterskuil lagen ze, koud en druipend van de natte en in hun put kwam ook het water stilaan naar binnen gesijpeld, maar niemand klaagde.

  Een Bren ratelde steeds maar onverpoosd en overal waren geweerschoten hoorbaar. Naast een zwaar houten kruis, dat zwart afstak tegen de grijze hemel, stond een antitankkanon dat nu en dan een krakend schot loste. Wanneer men door de luidspreker meldde, dat ze twee tanks buiten gevecht hadden gesteld, brak een donderend hoerageroep bij de mannen los hetgeen wel duidelijk bewijst dat de jongens met alles medeleefden.
Het was rond 3.30 uur dat de aankomst van Generaal Devaux gemeld werd en ja, daar kwam de Jeep van de Generaal aangereden. Hij had reeds een inspectietocht gemaakt bij het 1e Bon Bevrijding en de Generaal was tevreden over de goede gang van de manoeuvers en ook Lt.Kol S.B.H. Dancré scheen over de goede gang van de oefeningen volledig in zijn schik te zijn, want de moraal van de jongens was ook uitstekend en nog nergens anders hebben we gezien dat er tijdens zulke zware oefeningen en in dergelijke weer een zo goede moraal bij de soldaten aanwezig was als dit hier bij het 2e Linie wel het geval was.

Pagina - 22 -

Dinsdag 25 Maart! Vandaag was het de beurt aan het 1e Bon Bevrijding een bezoek aan de oefeningen en aan de manschappen te brengen. Onze tocht ging eerst naar de 1e Kompagnie, die niet ver van het kamp, op een woest en braakliggend veld, met granaten werkte. Doorheen water en slijk en kuilen togen we er heen.

Waar we verwelkomd werden door O/Lt. Spaas die ons naar de stand vergezelde en ons tot bij Lt. Conqsier en R.S.M. Vanderklein bracht. Eerst werd er met de O.P. granaten gewerkt en daarna met de Mills 36, en bij iedere worp spoot een straal water en slijk de hoogte in. De eerste die met de Mills 36 wierp was de oud-Koreastrijder Kesler die ons lachend verklaarde “Een jaartje Korea achter de rug en nu nog moeten leren granaten werpen.”
Vandaar togen we naar de 3e Kompagnie die even buiten Dreiborn oefeningen had. We waadden doorheen de slijkmassa naar het oefenterrein en toen we er aankwamen gaven de zware pantserwagens demonstratie’s en toonden aan, hoe een soldaat die in een diepe en goedgemaakte schutterskuil zijn schuilplaats heeft, onmogelijk door de zware kettingen van de tanks kan gedood worden, en aldus de gelegenheid heeft de tank buiten gevecht te stellen. We kwamen bij Majoor Van Put die ons vertelde dat de manschappen ’s morgens reeds oefeningen hadden gekregen met medewerking van de tanks, want reeds van ’s morgens zeven uur waren de jongens zes kilometer ver van het kamp naar het terrein gekomen om de oefeningen te beginnen.

 
We zagen er ook nog, naast Majoor Van Put, Kpt. Jacobs, O/Lt. Nivet, en de Opvoedingsofficier Adjt. Boman, en nadat we nog een aanval hadden bijgewoond van gans de Kompagnie onder leiding van Kapt. Jacobs, trokken we terug verder voor ons laatste bezoek, namelijk aan de Kompagnie der zware wapens die langs de weg naar Dreiborn van enkele minuten rust genoot. We zagen er Kapt. Cailliaert, O/Lt. Cranshoff en Adjt. K.R.O. Debockvan de groepering MO 3”. Verder Adjt. Van Haecke A.T.K. en Adjt. Wouters van Mi. We maakten een reisje mede met een carier Lait en bezochten de antitank kanonnen, de gevaarlijke 6 ponders die de lichtste maar de beste wapens der infanteristen zijn, en moesten vaststellen dat ook op deze stellingen de moraal goed was en onder het slechte en koude weder niet geleden scheen te hebben.   De moraal was echter het best bij de mannen van de 2e Kompagnie die in het kamp waren gebleven en binnen twee dagen zouden afzwaaien. Reeds hun derde kampperiode was het die ze in Vogelsang doormaakten, maar ze verklaarden ons dat het nog nooit zo’n vuil weder was als dit nu wel het geval was en we moesten hun waarlijk gelijk geven wanneer we ons eigen persoontje eens goed bekeken: slijk en modder van kop tot teen en water in de schoenen dat bij iedere stap een eigenaardig geluid voortbracht, en we zouden het moeten zeggen lijk Aalmoezenier Demey “Dat het goed is voor diegenen die anders hun voeten niet wassen.”
E. Matthys

Pagina - 23 -

 

Deze bijdrage kwam tot stand dank zij
Maurice Kuyckx
1 Cyclisten

Uit zijn archief:
VICI 133 pagina 22 en pagina 23