| ATOOMALARM
te Vogelsang |
|
 |
| |
|
Mijn
kameraad en ik beleefden in Vogelsang een bizar avontuur.
We hebben nooit helemaal begrepen wat er die keer precies gebeurde,
of beter gezegd NIET gebeurde.
Was het een grap?
Of gewoon een vergetelheid misschien als gevolg van een uit de hand gelopen
drink?
Over het voorval werd achteraf nooit meer met één woord gerept,
dus is de gebeurtenis voor eeuwig gehuld in geheimzinnigheid.
Mocht u, waarde lezer, de situatie herkennen en een verklaring kunnen geven
voor het toch enigszins absurde gebeuren, dan houd ik mij aanbevolen. Maar
de kans dat er na 36 jaar nog een verklaring opduikt lijkt me zeer onwaarschijnlijk...
.
|
|
Het was 31 maart 1971 en we waren op kamp in Vogelsang.
Met de eerste compagnie van het derde geniebataljon uit Westhoven hadden
we er onze tenten opgeslagen.
Als CSM-bediende bij chef Albert van Tiggel werd ik voor de gelegenheid
bevorderd tot barman bij de onderofficieren. Maar die bewuste avond ontsloeg
men mij van mijn taak want er stonden belangrijkere zaken op het spel.
Er zou de komende nacht een alarmoefening plaatsgrijpen en ik zou daar samen
met mijn kameraad Erik Delaender uit Gent een cruciale rol in spelen. We
moesten namelijk van op een berg op een afgesproken uur telefoneren naar
het wachtlokaal (of moet ik zeggen: de wachttent?) met de melding dat er
een atoomalarm was.
Eerlijk gezegd was ik niet zo opgetogen met de opdracht. Diezelfde avond
was er bij de onderofficieren een feestje gepland en als barman zou ik daar
tenvolle van kunnen meegenieten. Het vooruitzicht om in alle gezelligheid
een pintje te kunnen meedrinken leek me stukken leuker dan ergens ’s
nachts op een berg de koude te moeten zitten verbijten.
QM-bediende en kameraad Erik was al even enthousiast als ik om de nacht
op eenzame hoogte door te brengen maar wat wil je, het was nu eenmaal onze
opdracht en uiteindelijk hadden we over onze job bij de troep niet te klagen,
er waren er die het slechter hadden.
|
|
 |
Met het enthousiasme van een schaap dat naar de slachtbank wordt geleid
klommen we de berg op. Erik klemde een telefoontoestel onder de arm en ik
torste een haspel die ik nauwelijks kon dragen met eindeloze meters telefoondraad
die ik gaandeweg afrolde.
Van g.s.m. was in die tijd nog geen sprake.
Toen ook de laatste meter draad op de grond lag installeerden we ons zo
goed en zo kwaad als het ging. Een stuk zeildoek behoedde ons min of meer
tegen regen en wind, de telefoon werd in paraatheid gebracht en we stalden
onze voorraad uit: 2 gamellen, enkele blikken rantsoen en een bijna volle
fles schnaps die god weet waar vandaan kwam.
We stookten een vuurtje, warmden ons kostje op en spoelden daarna alles
door met de schnaps die toch smaakte naar een dubieuze afkomst.
Ondertussen viel de nacht en werden we omhuld door inktzwarte duisternis.
Enkel diep in de verte zagen we nog de lichtjes van ons kamp. In gedachten
vertoefde ik in de gezellige warmte van de bar waar het feest nu in volle
gang was.
Als CSM-bediende kende ik alle onderofficieren. Ik ging zelfs bij verschillende
van hen babysitten als de noodzaak zich voordeed en dus was ik er het hart
van in dat ik die avond het feestje aan mij moest laten voorbijgaan.
Gelukkig was Erik er om mij gezelschap te houden. Onder invloed van de donkere
onherbergzaamheid rondom ons en vooral door de slinkende voorraad drank
in de fles zaten we oeverloos te filosoferen. Over de zin en de onzin van
het leven, van de troep en hoe wij de wereld zouden verbeteren enzovoort
enzovoort... en hoe meer het peil van de drank in de fles zakte hoe verhevener
onze ideeën werden, (dachten wij).
Ons vuurtje doofde uit en ik denk dat wij toen ook uitgedoofd zijn.
|
|
 |
Want dan, beste lezer, volgt een zwart gat. Niet alleen omwille van de donkere
nacht rondom ons maar gewoon omdat alle verdere herinneringen mij in de
steek laten.
Onder het genadeloze licht van de rijzende zon en het schrille fluitconcert
van de vogels strompelden we in de vroege uurtjes de berg af. De telefoonkabel
die we zo goed mogelijk weer oprolden wees ons de weg naar het kamp waar
ons ongetwijfeld een gepeperde rekening stond te wachten. Van een alarm
was immers geen sprake geweest omdat we allebei boven op de telefoon in
slaap waren gevallen.
Groot was onze verbazing toen niemand enige aandacht aan ons schonk. We
trokken ons zo discreet mogelijk terug in onze tent waar we lijdzaam onze
kater uitzweetten in de overtuiging dat later op de dag de bom wel zou barsten.
Geen mens heeft ons ooit nog aangesproken over die alarmoefening.
Net alsof de opdracht nooit werd gegeven, alsof wij nooit de nacht hadden
doorgebracht op die berg. Wij deden er ook maar wijselijk het zwijgen aan
toe, kwestie van geen slapende honden wakker te maken.
Pas veel later beseften we dat het die morgen 1 april was.
Had dat er iets mee te maken?
We zijn er nooit achter gekomen en gelukkig hebben we achteraf nooit meer
een atoomalarm meegemaakt. Leo
Behaegel.
|
|
 |
| |
|
|
| |
|
 |
|
| |
|
|