Ik kan de goede sfeer en verstandhouding bevestigen.
     
 

Dit is een foto waarvan ik me niet meer herinner waar
die genomen is, zelfs niet hoe ik eraan ben gekomen.
In elk geval komt hij uit Westhoven maar meer weet ik er niet van.
In elk geval, 't is een MOFAB in volle ornaat!

Noot van de redactie:

Dit is ter gelegenheid van de bataljonsfeesten.
Een MOFAB met de 'Standard' rijdt over het paradeplein van de kazerne Adjt Brasseur.
Motorijder is Sportmonitor Adjt De Moor.

Foto: Leo Behaegel -1-

 

Hier zie je me op een MOFAB tijdens de opendeurdagen. De foto is genomen op 30 mei 1971.

De MOFAB, heeft zijn wielen ingetrokken,
de boot rust nu op de grond.

Noot van de redactie:
Wij hadden de naamlijst naar Leo Behaegel gestuurd van alle beroepsmensen van het 3Gn Bn 1Cie.
Hieronder onverkort zijn toffe reactie.

Foto: Leo Behaegel -2-

     
     
 

Avondappél op kamer 123.

Door 1Sgt Willy Pernet.

Links van de deur staat Paul Haulet, hij werkte in de keuken. Hij is inmiddels overleden.
Rechts ben ik, ik was toen kameroverste.
En die met zijn 'Zweetpateekes...
ik ga zijn naam niet noemen'.

Foto: Leo Behaegel -3-

   
     
     
     
ATOOMALARM te Vogelsang  
   
Mijn kameraad en ik beleefden in Vogelsang een bizar avontuur.
We hebben nooit helemaal begrepen wat er die keer precies gebeurde,
of beter gezegd NIET gebeurde.

Was het een grap?

Of gewoon een vergetelheid misschien als gevolg van een uit de hand gelopen drink?
Over het voorval werd achteraf nooit meer met één woord gerept, dus is de gebeurtenis voor eeuwig gehuld in geheimzinnigheid.

Mocht u, waarde lezer, de situatie herkennen en een verklaring kunnen geven voor het toch enigszins absurde gebeuren, dan houd ik mij aanbevolen. Maar de kans dat er na 36 jaar nog een verklaring opduikt lijkt me zeer onwaarschijnlijk... .

 

Het was 31 maart 1971 en we waren op kamp in Vogelsang. Met de eerste compagnie van het derde geniebataljon uit Westhoven hadden we er onze tenten opgeslagen.
Als CSM-bediende bij chef Albert van Tiggel werd ik voor de gelegenheid bevorderd tot barman bij de onderofficieren. Maar die bewuste avond ontsloeg men mij van mijn taak want er stonden belangrijkere zaken op het spel.
Er zou de komende nacht een alarmoefening plaatsgrijpen en ik zou daar samen met mijn kameraad Erik Delaender uit Gent een cruciale rol in spelen. We moesten namelijk van op een berg op een afgesproken uur telefoneren naar het wachtlokaal (of moet ik zeggen: de wachttent?) met de melding dat er een atoomalarm was.

Eerlijk gezegd was ik niet zo opgetogen met de opdracht. Diezelfde avond was er bij de onderofficieren een feestje gepland en als barman zou ik daar tenvolle van kunnen meegenieten. Het vooruitzicht om in alle gezelligheid een pintje te kunnen meedrinken leek me stukken leuker dan ergens ’s nachts op een berg de koude te moeten zitten verbijten.
QM-bediende en kameraad Erik was al even enthousiast als ik om de nacht op eenzame hoogte door te brengen maar wat wil je, het was nu eenmaal onze opdracht en uiteindelijk hadden we over onze job bij de troep niet te klagen, er waren er die het slechter hadden.

 

Met het enthousiasme van een schaap dat naar de slachtbank wordt geleid klommen we de berg op. Erik klemde een telefoontoestel onder de arm en ik torste een haspel die ik nauwelijks kon dragen met eindeloze meters telefoondraad die ik gaandeweg afrolde.
Van g.s.m. was in die tijd nog geen sprake.
Toen ook de laatste meter draad op de grond lag installeerden we ons zo goed en zo kwaad als het ging. Een stuk zeildoek behoedde ons min of meer tegen regen en wind, de telefoon werd in paraatheid gebracht en we stalden onze voorraad uit: 2 gamellen, enkele blikken rantsoen en een bijna volle fles schnaps die god weet waar vandaan kwam.
We stookten een vuurtje, warmden ons kostje op en spoelden daarna alles door met de schnaps die toch smaakte naar een dubieuze afkomst.

Ondertussen viel de nacht en werden we omhuld door inktzwarte duisternis. Enkel diep in de verte zagen we nog de lichtjes van ons kamp. In gedachten vertoefde ik in de gezellige warmte van de bar waar het feest nu in volle gang was.
Als CSM-bediende kende ik alle onderofficieren. Ik ging zelfs bij verschillende van hen babysitten als de noodzaak zich voordeed en dus was ik er het hart van in dat ik die avond het feestje aan mij moest laten voorbijgaan.
Gelukkig was Erik er om mij gezelschap te houden. Onder invloed van de donkere onherbergzaamheid rondom ons en vooral door de slinkende voorraad drank in de fles zaten we oeverloos te filosoferen. Over de zin en de onzin van het leven, van de troep en hoe wij de wereld zouden verbeteren enzovoort enzovoort... en hoe meer het peil van de drank in de fles zakte hoe verhevener onze ideeën werden, (dachten wij).
Ons vuurtje doofde uit en ik denk dat wij toen ook uitgedoofd zijn.

 

Want dan, beste lezer, volgt een zwart gat. Niet alleen omwille van de donkere nacht rondom ons maar gewoon omdat alle verdere herinneringen mij in de steek laten.

Onder het genadeloze licht van de rijzende zon en het schrille fluitconcert van de vogels strompelden we in de vroege uurtjes de berg af. De telefoonkabel die we zo goed mogelijk weer oprolden wees ons de weg naar het kamp waar ons ongetwijfeld een gepeperde rekening stond te wachten. Van een alarm was immers geen sprake geweest omdat we allebei boven op de telefoon in slaap waren gevallen.

Groot was onze verbazing toen niemand enige aandacht aan ons schonk. We trokken ons zo discreet mogelijk terug in onze tent waar we lijdzaam onze kater uitzweetten in de overtuiging dat later op de dag de bom wel zou barsten.

Geen mens heeft ons ooit nog aangesproken over die alarmoefening.
Net alsof de opdracht nooit werd gegeven, alsof wij nooit de nacht hadden doorgebracht op die berg. Wij deden er ook maar wijselijk het zwijgen aan toe, kwestie van geen slapende honden wakker te maken.

Pas veel later beseften we dat het die morgen 1 april was.
Had dat er iets mee te maken?
We zijn er nooit achter gekomen en gelukkig hebben we achteraf nooit meer een atoomalarm meegemaakt.

Leo Behaegel.